Winkeldieven die snel weer buiten staan, duizenden misdrijven die onopgelost blijven en politiemensen die onder grote druk hun werk moeten doen. Ondertussen krijgt de agent op straat vaak de schuld van een systeem dat hij zelf niet heeft ingericht. Het incident met een Utrechtse agent laat zien waarom we verder moeten kijken dan de politie alleen.
Stel je voor. Een winkelier betrapt iemand op diefstal. De politie wordt gebeld, agenten komen ter plaatse en de verdachte wordt meegenomen. De ondernemer haalt opgelucht adem. Eindelijk wordt er iets aan gedaan. Maar niet veel later staat dezelfde verdachte alweer buiten. De frustratie is groot. Op sociale media volgen de bekende reacties: de politie doet niets, criminelen komen overal mee weg en aangifte doen heeft geen zin. Maar is dat verwijt aan de politie eigenlijk wel terecht? Die agenten hebben de verdachte immers aangehouden en hun werk gedaan. Wat er daarna gebeurt, wordt voor een belangrijk deel bepaald door wetgeving, het Openbaar Ministerie en de mogelijkheden van het strafrechtelijke systeem. Toch zijn het vaak de politiemensen die de kritiek krijgen. We verwachten dat de politie onze veiligheid garandeert, maar geven we haar ook de middelen, bescherming en ondersteuning om dat waar te maken?
Duizenden misdrijven blijven liggen
De cijfers maken duidelijk dat de problemen verder reiken dan een enkele winkeldiefstal. Volgens de voorlopige CBS-cijfers over 2025 registreerde de politie 816.210 misdrijven. Daarvan stonden er 180.085 als opgehelderd geregistreerd, ongeveer 22 procent. Een opgehelderd misdrijf betekent dat ten minste één verdachte bekend is, niet dat er al een veroordeling heeft plaatsgevonden. Nog zorgwekkender is het onderzoek van de Algemene Rekenkamer van 18 juni 2026. Daaruit bleek dat in 2024 ruim 10.000 aangiften en meldingen van ernstige misdrijven niet verder werden behandeld. Ongeveer 7.000 zaken werden bij voorbaat afgewezen en bij nog eens 3.000 werd het onderzoek voortijdig beëindigd vanwege capaciteitstekorten bij de politie en/of het Openbaar Ministerie. Het ging onder meer om zware diefstallen, gewelds- en zedendelicten. De Rekenkamer constateerde bovendien dat verschillende opsporingsprioriteiten met elkaar concurreren. Dat roept een ongemakkelijke vraag op: wat heeft een burger aan het doen van aangifte wanneer er vervolgens onvoldoende capaciteit beschikbaar is om zijn zaak te onderzoeken?
Wat betekent dat voor de agent op straat? Die kan een aangifte opnemen, een slachtoffer te woord staan en zijn uiterste best doen om een zaak op te lossen. Maar wanneer er onvoldoende recherchecapaciteit beschikbaar is of een zaak geen prioriteit krijgt, houdt zijn invloed ergens op. De politie moet bovendien noodhulp verlenen, de openbare orde handhaven, georganiseerde criminaliteit bestrijden en steeds meer digitale criminaliteit onderzoeken. Bij de presentatie van de politiebegroting voor 2026 meldde de politie dat zij, ondanks een totale begroting van 8,5 miljard euro, nog een financieel tekort van 86 miljoen euro voorzag. Dat betekent niet dat er nooit in de politie wordt geïnvesteerd. Het laat wel zien dat de beschikbare middelen en de opgedragen taken niet vanzelfsprekend in balans zijn. We kunnen veel van politiemensen verwachten, maar niet dat zij gelijktijdig op meerdere plekken zijn of zonder voldoende capaciteit ieder misdrijf oplossen.
Ook de snelle vrijlating van verdachten verdient meer uitleg. De politie mag iemand niet onbeperkt vasthouden. De wet stelt voorwaarden aan de duur van het onderzoek, de inverzekeringstelling en eventuele voorlopige hechtenis. Een verdachte kan daarom na verhoor worden vrijgelaten terwijl de strafzaak gewoon doorloopt. Het Openbaar Ministerie beslist vervolgens of en hoe vervolging plaatsvindt. Maar voor de winkelier die opnieuw dezelfde persoon in zijn zaak ziet verschijnen, kan dat bijzonder frustrerend zijn. Volgens onderzoek van het WODC naar winkeldiefstal lag het geschatte aantal winkeldiefstallen in 2024 tussen bijna 650.000 en ruim één miljoen, terwijl de politie jaarlijks ongeveer 40.000 gevallen registreert. Bij de meeste betrapte winkeldieven volgt geen aangifte. Het probleem is dus groter dan de politiestatistieken laten zien. Wie de aanpak wil verbeteren, moet kijken naar preventie, aangiftebereidheid, opsporing, vervolging en de aanpak van herhaaldelijke diefstal. De agent die iemand aanhoudt, bepaalt niet in zijn eentje wat daarna gebeurt.
De agent in Utrecht: wie staat er achter hem?
En dan is er het incident in Utrecht. Op 26 januari 2026 hield een agent bij het Bollendak, naast Utrecht Centraal, een vrouw aan. Tijdens die aanhouding ontstond een chaotische situatie met omstanders. De agent gebruikte zijn wapenstok en gaf een andere vrouw een afhoudtrap. Beelden van het incident verspreidden zich razendsnel en er ontstond discussie over het geweldgebruik. De politie liet het optreden beoordelen en oordeelde aanvankelijk dat een deel van het geweld niet binnen de kaders viel. Er volgden geen disciplinaire maatregelen. Na afzonderlijk onderzoek kwam het Openbaar Ministerie op 7 september echter tot de conclusie dat de betrokken agenten niet onrechtmatig hadden gehandeld. De trap was volgens het OM proportioneel en noodzakelijk. Er werd geen verder strafrechtelijk onderzoek ingesteld. Dat staat in het officiële bericht van het Openbaar Ministerie over het incident bij het Bollendak .
Maar ondertussen was er iets anders gebeurd. De betrokken agent had ernstige bedreigingen ontvangen, zijn persoonlijke gegevens waren online gedeeld en hij verbleef met zijn gezin tijdelijk op een veilige locatie. De NOS berichtte op 5 februari over de bedreigingen en het tijdelijke vertrek van het gezin . Korpschef Janny Knol sprak zich publiekelijk uit tegen de bedreigingen. Het is dus niet zo dat zijn organisatie helemaal niets deed. Toch zou deze situatie ons aan het denken moeten zetten. Een politieman gaat naar zijn werk, raakt betrokken bij een ingrijpende aanhouding en belandt vervolgens met zijn gezin in een situatie waarin hij zich thuis niet meer veilig kan voelen. Natuurlijk moet politiegeweld zorgvuldig worden onderzocht. Agenten beschikken over bijzondere bevoegdheden en moeten daar verantwoording over afleggen. Maar kritiek op politieoptreden mag nooit een vrijbrief worden voor bedreigingen, intimidatie of het verspreiden van privégegevens. Een agent moet zijn werk binnen de wet kunnen uitvoeren zonder dat zijn gezin daarvoor een prijs betaalt.
De kwestie in Utrecht en de problemen rond onopgeloste criminaliteit zijn niet hetzelfde. Toch raken ze aan een gemeenschappelijke vraag: wat mogen politiemensen van de samenleving en hun organisatie verwachten? Wie een uniform aantrekt, krijgt een enorme verantwoordelijkheid. Agenten moeten soms in seconden beslissen, terwijl hun optreden achteraf uitgebreid kan worden onderzocht. Tegelijkertijd zijn zij afhankelijk van de middelen, de wetgeving en de ondersteuning die hun worden geboden. De minister, het Openbaar Ministerie, de korpsleiding en andere betrokken partijen dragen ieder verantwoordelijkheid voor onderdelen van dat systeem. Ook binnen de politie zelf zijn verbeteringen mogelijk. Zo constateerde de Algemene Rekenkamer dat onvoldoende inzicht bestaat in de resultaten van een deel van de grotere opsporingsonderzoeken.
Wie draagt uiteindelijk de verantwoordelijkheid?
Achter de politie staan betekent niet dat iedere agent altijd gelijk heeft. Het betekent dat we de mensen achter het uniform serieus nemen, hun handelen zorgvuldig beoordelen en hen niet verantwoordelijk houden voor beslissingen die buiten hun bevoegdheden liggen. Het betekent ook dat de overheid en de verantwoordelijke organisaties moeten kunnen uitleggen hoe zij ervoor zorgen dat politiemensen hun werk daadwerkelijk kunnen uitvoeren. Niet alleen met mooie woorden wanneer er iets ernstigs gebeurt, maar ook met voldoende capaciteit, professionele ondersteuning en bescherming wanneer het erop aankomt.
De volgende keer dat een winkeldief wordt aangehouden en kort daarna weer buiten staat, kunnen we opnieuw boos worden op de politie. We kunnen ook een andere vraag stellen. Wat gebeurt er eigenlijk nadat die agent zijn werk heeft gedaan? Wie bepaalt welke zaken worden onderzocht, hoeveel mensen daarvoor beschikbaar zijn en hoe snel een verdachte voor de rechter komt? En als diezelfde agent tijdens zijn werk in een gevaarlijke situatie terechtkomt, wie zorgt er dan voor dat hij en zijn gezin veilig zijn?
We verwachten veel van onze politiemensen. Terecht. Maar die verwachtingen brengen ook verantwoordelijkheden met zich mee voor de organisaties die hen aansturen en ondersteunen.
Want als de politie er voor ons moet zijn, mogen we ook verwachten dat er voor de politie wordt gezorgd.

Geef een reactie