Over politieke correctheid, de woke cultuur en de angst om als racist te worden bestempeld.

In Den Haag wordt graag gesproken over waarden en normen. Eerlijkheid, verantwoordelijkheid, respect, transparantie en fatsoen: het zijn woorden die politici maar wat graag gebruiken. Maar wat zijn die woorden waard wanneer ze bij gevoelige onderwerpen ineens op eieren gaan lopen? Zodra het gaat over immigratie, integratie, cultuur of discriminatie lijkt voorzichtigheid soms belangrijker dan duidelijkheid. Want stel je voor dat een uitspraak verkeerd valt. Stel je voor dat iemand zich gekwetst voelt. En stel je vooral voor dat je de volgende dag wordt neergezet als racist. Dan is het verleidelijk om je mond te houden, een onderwerp te ontwijken of een antwoord te geven waar niemand iets aan heeft. Maar politici zitten in Den Haag niet om hun eigen gezicht te redden. Ze zitten daar om het land te besturen. Ze worden betaald uit belastinggeld en moeten verantwoording afleggen aan de burger. Wanneer politieke correctheid belangrijker wordt dan eerlijkheid, wanneer gezichtsverlies zwaarder weegt dan verantwoordelijkheid en wanneer men moeilijke onderwerpen liever ontwijkt, moeten we ons afvragen wat er nog overblijft van die zo vaak genoemde waarden en normen.

De woke beweging begon ooit als aandacht voor racisme en maatschappelijke ongelijkheid. Daar hoeft op zichzelf niets mis mee te zijn. Maar inmiddels wordt het begrip ook gebruikt voor een cultuur waarin steeds strenger wordt gekeken naar welke woorden, opvattingen en vragen maatschappelijk aanvaardbaar zijn. En daar ontstaat een probleem. Wie bepaalt eigenlijk wat nog gezegd mag worden? Wanneer is een kritische vraag gewoon een kritische vraag en wanneer wordt iemand onmiddellijk moreel veroordeeld? Politieke correctheid kan dan veranderen in een ongeschreven gedragscode. Niemand hoeft je officieel het zwijgen op te leggen als je uit angst voor reputatieschade jezelf al censureert. Dat is misschien wel het gevaarlijkste aan zelfcensuur: zij is nauwelijks zichtbaar. Een politicus kondigt niet aan dat hij iets niet durft te zeggen. Hij zegt het gewoon niet. De burger hoort dus alleen wat wél veilig genoeg is om uitgesproken te worden.

En dan is er dat ene woord: racist. Een ernstige beschuldiging, die terecht zwaar weegt. Racisme bestaat en moet worden bestreden. Maar niet iedere kritische opmerking over immigratie is racistisch. Niet iedere vraag over integratie is discriminerend. Niet ieder verschil van mening over cultuur of identiteit betekent dat iemand een bevolkingsgroep afwijst. Wanneer dat onderscheid vervaagt, verandert het politieke debat langzaam in een morele rechtbank. Het gesprek gaat dan niet meer over feiten, cijfers en argumenten, maar over de vraag of degene die iets zegt wel deugt. Wie eenmaal zo’n etiket opgeplakt krijgt, moet vervolgens vooral zichzelf verdedigen. Het oorspronkelijke onderwerp verdwijnt naar de achtergrond. En precies daar ontstaat de angstcultuur: niet omdat iedereen daadwerkelijk wordt veroordeeld, maar omdat de mogelijkheid van zo’n veroordeling al genoeg kan zijn om mensen voorzichtiger, stiller en uiteindelijk minder eerlijk te maken.

Dat is extra ernstig omdat het hier niet gaat om een gesprek in de kroeg. Het gaat om het bestuur van Nederland. Om miljarden euro’s belastinggeld. Om besluiten over woningen, zorg, onderwijs, veiligheid, immigratie en sociale zekerheid. Iedere euro die de overheid uitgeeft, komt uiteindelijk ergens vandaan. Van mensen die werken, ondernemen, boodschappen doen en iedere maand hun rekeningen betalen. Die burgers mogen verwachten dat politieke keuzes eerlijk worden besproken. Als beleid niet werkt, moet dat gezegd kunnen worden. Als cijfers tegenvallen, moeten die op tafel. Als maatregelen ongewenste gevolgen hebben, moet daarover worden gesproken. Niet alleen wanneer het politiek goed uitkomt, maar juist wanneer het ongemakkelijk wordt. De belastingbetaler betaalt niet voor zorgvuldig gepolijste politieke imago’s. Hij betaalt voor bestuurders die verantwoordelijkheid nemen.

Juist daarom is het zo gevaarlijk wanneer beeldvorming belangrijker wordt dan inhoud. Een politicus die voortdurend nadenkt over hoe zijn woorden zullen vallen, kan uiteindelijk meer bezig zijn met reputatie dan met waarheid. Dan krijg je de bekende antwoorden: er is aandacht voor de problematiek, er worden gesprekken gevoerd, alle betrokkenen moeten zich gehoord voelen en men blijft de situatie nauwlettend volgen. Mooie woorden. Maar wat gaat u doen? Wat kost het? Wie betaalt het? Werkt het beleid? En als het niet werkt, wie neemt daar dan verantwoordelijkheid voor? Burgers hebben recht op antwoorden, niet op taal die zo zorgvuldig is gladgestreken dat er uiteindelijk niets meer wordt gezegd.

Waarden en normen zijn geen versiering voor een verkiezingsprogramma. Ze moeten juist zichtbaar worden wanneer het moeilijk wordt. Eerlijkheid betekent dat je ook iets durft te zeggen wanneer het niet populair is. Verantwoordelijkheid betekent dat je het belang van de burger boven je eigen reputatie durft te stellen. Respect betekent dat je iemand kunt tegenspreken zonder hem onmiddellijk als slecht mens weg te zetten. En vrijheid van meningsuiting betekent weinig als mensen die vrijheid alleen durven te gebruiken zolang ze zeker weten dat niemand hen veroordeelt.

Den Haag hoeft geen plek te zijn waar iedereen het met elkaar eens is. Politiek bestaat juist door verschillen van mening. Maar het moet wel een plek zijn waar moeilijke onderwerpen open besproken kunnen worden, zonder dat het etiket belangrijker wordt dan het argument. Want als politici precies weten wat ze beter niet kunnen zeggen, maar burgers steeds minder weten wat politici werkelijk denken, is er iets fundamenteel mis.

De politicus probeert dan misschien zijn gezicht te redden. Maar de rekening van die angstcultuur komt uiteindelijk terecht bij de burger. En die betaalt al genoeg.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *