Nederland heeft sinds 23 februari 2026 een nieuw kabinet. D66, VVD en CDA vormen samen het kabinet-Jetten. Het is een minderheidskabinet en dat gegeven bepaalt vanaf de eerste dag hoe er geregeerd moet worden. De drie partijen hebben samen 66 van de 150 zetels in de Tweede Kamer en ook in de Eerste Kamer geen meerderheid. Voor vrijwel ieder belangrijk voorstel is daarom steun buiten de coalitie nodig. Dat maakt politiek ingewikkelder: niet alleen wat het kabinet belooft telt, maar vooral wat er uiteindelijk door het parlement komt. Na bijna zeven maanden is een eerste balans mogelijk. Niet om nu al een definitief rapportcijfer uit te delen, maar om te bekijken wat is beloofd, wat daadwerkelijk is gebeurd en waarom veel burgers desondanks nog weinig vertrouwen voelen.

Op papier begon het kabinet ambitieus. Er moesten dertig nieuwe grote woningbouwlocaties komen, het stikstofprobleem moest worden doorbroken, migratie moest beter beheersbaar worden, Nederland moest fors meer aan defensie gaan uitgeven en er moest worden geïnvesteerd in onderwijs, klimaat en economische groei. Zulke doelen klinken concreet. Maar politiek kent een hardnekkig verschil tussen een besluit, een wet, een begrotingspost en een zichtbaar resultaat. Voor een woningzoekende telt uiteindelijk niet dat er miljarden zijn gereserveerd; die wil een sleutel. Voor een ondernemer telt niet alleen een stikstofplan, maar de vraag of een vergunning weer mogelijk is. En iemand die zich zorgen maakt over migratie kijkt uiteindelijk naar instroom, opvang en terugkeer, niet uitsluitend naar nieuwe regelgeving.

Bij woningbouw is dat verschil goed zichtbaar. Het kabinet heeft inmiddels de eerste vijf grootschalige locaties aangewezen: in Deventer, Haarlem, Leeuwarden, Maastricht en Weert. Samen moeten daar ongeveer 30.000 woningen komen. Daarnaast is tot en met 2035 ongeveer zeven miljard euro voorzien voor woningbouw en stelt het kabinet dat maatregelen woningcorporaties ongeveer 28 miljard euro extra investeringscapaciteit geven. Dat zijn concrete stappen. Maar de meeste huizen staan er nog niet. Procedures, infrastructuur, stikstofruimte, het elektriciteitsnet en bouwcapaciteit blijven factoren die bepalen hoe snel een plan verandert in een woonwijk. Het kabinet kan dus wijzen op concrete beleidsstappen, terwijl woningzoekenden tegelijkertijd kunnen constateren dat hun persoonlijke probleem daarmee vandaag nog niet is opgelost.

Op asiel en migratie is wél een duidelijke systeemverandering doorgevoerd. Sinds 12 juni gelden nieuwe regels uit het Europese Asiel- en Migratiepact en is in Nederland het tweestatusstelsel ingevoerd. Er zijn onder meer andere grensprocedures, beperkingen rond nareis voor een deel van de beschermden en een sterkere koppeling tussen asielbesluiten en terugkeer. Dat is meer dan een beleidsvoornemen: de regels zijn daadwerkelijk ingegaan. Tegelijkertijd is het nog te vroeg om vast te stellen hoeveel effect zij uiteindelijk hebben op de Nederlandse instroom, opvangdruk en terugkeer. Juist bij migratie blijkt hoe lastig het is om een politiek resultaat af te meten aan het aannemen van een wet. De burger merkt uiteindelijk pas verschil wanneer de uitvoering aantoonbaar verandert.

Ook bij stikstof is er beweging, maar nog geen eindpunt. De gezamenlijke beoordeling van CPB, SCP en PBL rond Prinsjesdag is opvallend genuanceerd. De nieuwe maatregelen kunnen volgens de planbureaus een belangrijke stap betekenen richting natuurherstel en kunnen nieuwe emissiedoelen voor landbouw en industrie binnen bereik brengen. Tegelijk waarschuwen zij dat dit afhangt van grote beleidshervormingen en langdurige uitvoeringskracht. Met andere woorden: het kabinet heeft een route uitgestippeld, maar Nederland is nog niet simpelweg van alle stikstofproblemen verlost. Voor boeren, bouwers en bedrijven wordt het oordeel uiteindelijk mede bepaald door wat er in de praktijk met vergunningen en bedrijfsvoering gebeurt.

Defensie laat een ander beeld zien. Daar is de financiële koers relatief helder. Het kabinet wil de defensie-uitgaven deze kabinetsperiode laten groeien richting 2,8 procent van het bruto binnenlands product en uiteindelijk naar 3,5 procent vanaf 2035. Dat betekent meer geld voor personeel, materieel, munitie en militaire capaciteit. De achtergrond is de verslechterde internationale veiligheidssituatie en de afspraken binnen de NAVO. Ook hier geldt echter dat extra begrotingsruimte niet onmiddellijk gelijkstaat aan extra militaire capaciteit. Personeel werven en opleiden, materieel bestellen en productiecapaciteit vergroten kost tijd. Toch is dit een terrein waar een belangrijke belofte inmiddels duidelijk in financiële plannen is vertaald.

Interessanter wordt het bij beloften die al zijn aangepast. Het duidelijkste voorbeeld is de AOW. In het coalitieakkoord stond het voornemen om de AOW-leeftijd vanaf 2033 één-op-één te koppelen aan de stijgende levensverwachting. Daar ontstond politieke en maatschappelijke weerstand tegen en er bleek onvoldoende parlementaire steun voor de oorspronkelijke vorm. In mei maakte het kabinet bekend met het voorgenomen wetsvoorstel te stoppen. Ook voorstellen rond werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen werden voorlopig niet in de voorgestelde vorm doorgezet.

Bij de kinderopvang werd eveneens van de oorspronkelijke begrotingslijn afgeweken. De kinderopvangtoeslag stijgt in 2027 wel, maar volgens het kabinet minder sterk dan aanvankelijk in het coalitieakkoord was voorzien. Hiervoor wordt 322 miljoen euro extra uitgetrokken. Dit soort veranderingen zijn geen voetnoten, maar voorbeelden van wat regeren zonder eigen parlementaire meerderheid in de praktijk kan betekenen. Een coalitieakkoord geeft richting, maar voor de uitvoering blijven politieke meerderheden, financiële omstandigheden en onderhandelingen met maatschappelijke partijen noodzakelijk.

Daarmee komen we bij misschien wel de belangrijkste maatstaf: vertrouwen. Ipsos I&O meldde in september dat 36 procent van de Nederlanders veel of een beetje vertrouwen heeft in de landelijke politiek, terwijl 61 procent weinig of heel weinig vertrouwen heeft. Het vertrouwen ligt daarmee iets hoger dan in 2025, maar blijft volgens de onderzoekers lager dan in 2024. Bovendien komt de stijging vooral voor rekening van hoger opgeleiden; onder lager en middelbaar opgeleiden nam het vertrouwen niet vergelijkbaar toe. Ook verschillen de cijfers sterk naar politieke voorkeur. “De burger” bestaat dus niet als één homogene groep met één oordeel over Den Haag.

Het Sociaal en Cultureel Planbureau zag eerder in 2026 eveneens een kritisch beeld. In de winter van 2025/2026 vond 53 procent dat Nederland de verkeerde kant op ging en gaf 52 procent de regering een onvoldoende voor vertrouwen. Mensen noemden onder meer immigratie, betaalbare woningen, hoge prijzen en binnenlandse en internationale politieke onrust als belangrijke zorgen. Een deel van die metingen vond nog vóór de beëdiging van het kabinet-Jetten plaats, waardoor deze cijfers niet simpelweg als een beoordeling van dit kabinet mogen worden gelezen. Ze laten vooral zien in welk maatschappelijk klimaat de nieuwe regering aan haar werk begon.

Waarom kan vertrouwen beperkt blijven terwijl er aantoonbaar besluiten worden genomen? Een mogelijke verklaring is het verschil tussen bestuurlijke voortgang en dagelijkse ervaring. De overheid communiceert in miljarden, wetsartikelen, percentages en doelen voor 2030 of 2035. Burgers ervaren ondertussen huurprijzen, wachtlijsten, boodschappen, belastingen, zorg, energierekeningen en de beschikbaarheid van woningen. Tussen die twee werkelijkheden zit vaak een vertraging van jaren. Een kabinet kan daarom beleidsmatig voortgang boeken zonder dat mensen daar onmiddellijk verbetering van merken. Omgekeerd kan maatschappelijke onvrede groot blijven terwijl maatregelen op langere termijn wel degelijk effect blijken te hebben.

De recente Prinsjesdaganalyse van CPB, SCP en PBL onderstreept die dubbelheid. Het kabinet investeert extra in onder meer defensie, onderwijs, klimaat, natuur, wonen en infrastructuur. Tegelijk constateren de planbureaus dat Nederland met het voorgenomen beleid niet op koers ligt om de klimaatdoelen te halen, dat financiële lasten op langere termijn worden doorgeschoven en dat ombuigingen in zorg en sociale zekerheid kwetsbare groepen relatief harder kunnen raken. De planbureaus wijzen daarnaast op het belang van concrete en meetbare doelen om later te kunnen bepalen of beleid werkelijk heeft gewerkt.

Dat maakt eenvoudige conclusies als “het kabinet doet het goed” of “het kabinet doet niets” weinig informatief. De werkelijkheid bestaat uit verschillende onderdelen die naast elkaar kunnen bestaan. Op migratie zijn regels daadwerkelijk veranderd. Bij wonen zijn locaties aangewezen en miljarden gereserveerd. Voor defensie is een forse financiële koers ingezet. Op stikstof ligt een pakket dat volgens de planbureaus perspectief biedt, maar zware uitvoering vraagt. Tegelijk zijn belangrijke sociale plannen, zoals de oorspronkelijke AOW-koppeling, al teruggedraaid en zijn andere voornemens aangepast.

Na bijna zeven maanden ontstaat daarom vooral het beeld van een kabinet waarvan een deel van het beleid in uitvoering is, terwijl een groot deel van de beloofde resultaten nog vóór ons ligt. Dat is misschien de meest bruikbare tussenstand. De relevante vraag is uiteindelijk niet hoeveel plannen een regering presenteert, maar hoeveel daarvan zichtbaar worden in het dagelijks leven.

Juist daar ligt ook de relatie met vertrouwen. Politieke besluitvorming vindt plaats in vergaderzalen, begrotingen en wetsvoorstellen; vertrouwen wordt voor een belangrijk deel gevormd door ervaringen daarbuiten. Wordt een woning bereikbaar? Kan een ondernemer verder? Functioneren publieke diensten? Blijven lasten draaglijk? Worden problemen daadwerkelijk kleiner?

Voor het kabinet-Jetten ligt de belangrijkste toets daarom nog in de toekomst. De eerste maanden geven inmiddels voldoende materiaal om te beoordelen welke richting is gekozen en welke beloften zijn aangepast. Maar voor een definitief oordeel over de resultaten is meer tijd nodig. De komende jaren zullen laten zien hoeveel van de aangekondigde miljarden, wetten en hervormingen uiteindelijk worden omgezet in merkbare veranderingen voor burgers. Dáár zal de volgende balans vooral over moeten gaan.

Ties van Fenne

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *