Het kabinet-Jetten is iets meer dan een half jaar oud en heeft volgens het RTL Nieuwspanel inmiddels ongeveer de helft van zijn oorspronkelijke vertrouwen verloren. Bij het aantreden had 33 procent van de deelnemers vertrouwen in de ministersploeg. In september was dat nog ongeveer één op de zes. Ook het persoonlijke vertrouwen in premier Jetten daalde, van 47 naar 29 procent. Dat zijn cijfers uit een gewogen onderzoek onder ruim 19.000 panelleden, geen rechtstreeks oordeel van iedere Nederlander. Maar ze geven wel een beeld van hoe de verwachtingen binnen dat panel zijn veranderd. In Den Haag wordt ondertussen gewoon doorvergaderd. Er komen nieuwe plannen, er worden afspraken gemaakt en er verschijnen persberichten waarin ministers uitleggen hoe voortvarend de uitvoering ter hand wordt genomen. Je zou bijna denken dat het vertrouwen onderweg ergens in de vergaderzaal is blijven liggen.
Misschien zit een deel van het probleem in de merkwaardige verhouding tussen politieke tijd en gewone tijd. Voor een kabinet is zes maanden kort. Een minister moet zich inwerken, voorstellen uitwerken, overleggen met andere departementen en voldoende steun in het parlement zoeken. Voor iemand die al jaren op een betaalbare woning wacht, is zes maanden gewoon weer een halfjaar. Voor iemand die vastloopt bij een overheidsinstantie zijn het opnieuw 26 weken waarin het probleem niet is opgelost. En voor een burger die bij de vorige verkiezingen heeft gehoord dat er nu echt iets zou veranderen, is het vooral een nieuwe periode waarin de beloofde verbetering nog zichtbaar moet worden.
Daar komt bij dat een nieuw kabinet oude problemen erft. De woningnood begint niet opnieuw zodra de minister van Volkshuisvesting aantreedt. Een overvol elektriciteitsnet verandert niet van capaciteit na een kabinetsformatie. De druk op de zorg, de asielopvang en de overheidsfinanciën verdwijnt evenmin op de dag dat de ministers worden beëdigd. Een kabinet kan wel andere keuzes maken, maar de resultaten daarvan laten soms jaren op zich wachten. Dat verschil maakt politieke communicatie ingewikkeld. De regering spreekt over wat zij in gang heeft gezet, terwijl burgers vooral merken wat er vandaag in hun leven verandert.
Deze week bood daarvan verschillende voorbeelden. Het kabinet presenteerde vijftig maatregelen om de woningbouw te versnellen. De Onderzoeksraad voor Veiligheid concludeerde dat duizenden kinderen nog altijd in onveilige asielnoodopvang verblijven. De Raad van State waarschuwde bij de Miljoenennota voor een lastenverzwaring die sterk aan arbeid wordt toegerekend. En het minderheidskabinet moest verder onderhandelen over steun voor zijn begroting. Dat zijn verschillende dossiers, met verschillende oorzaken en verantwoordelijkheden. Maar voor een burger kunnen ze samenvallen tot een algemene ervaring: er wordt veel besproken en er moet nog veel gebeuren.
Het RTL-onderzoek bevatte ook een opvallende bevinding over de verwachtingen. Ongeveer één op de tien deelnemers verwachtte dat het kabinet doorbraken kon bereiken op belangrijke thema’s. Ook dat is geen voorspelling van wat daadwerkelijk zal gebeuren. Het is een momentopname van het vertrouwen in politieke resultaten. En dat is misschien interessanter dan de vraag hoe sympathiek mensen een premier vinden. Persoonlijke uitstraling kan helpen om politieke boodschappen over te brengen, maar ze kan het verschil tussen aangekondigd en uitgevoerd beleid niet laten verdwijnen. Een minister kan nog zo overtuigend uitleggen dat de aanpak van de woningnood prioriteit heeft; voor een woningzoekende blijft het belangrijkste resultaat of er een passend huis beschikbaar komt.
Daarmee is vertrouwen een lastig politiek product. Je kunt het niet inkopen, niet bij wet vaststellen en niet via een communicatiecampagne rechtstreeks verhogen. Een kabinet kan uitleggen wat het doet, maar burgers bepalen zelf hoeveel vertrouwen zij daaraan ontlenen. Bovendien is vertrouwen niet hetzelfde als instemming. Iemand kan een regering op bepaalde onderwerpen steunen en op andere onderwerpen kritisch zijn. Een ander kan weinig vertrouwen hebben in het kabinet, maar wel in afzonderlijke instituties of publieke voorzieningen. Eén peiling vat die verschillen niet allemaal samen. Juist daarom is het belangrijk om zulke cijfers niet te behandelen alsof ze een definitief oordeel over ieder onderdeel van het bestuur vormen.
Het merkwaardige is dat politici vertrouwen vaak bespreken alsof het ergens buiten de politiek is zoekgeraakt. Er verschijnt een onderzoek, er volgen analyses en vervolgens wordt gesproken over het herstellen van vertrouwen. Maar vertrouwen laat zich moeilijk herstellen door er langdurig over te vergaderen. Het ontstaat wanneer burgers ervaren dat problemen worden herkend, afspraken worden nagekomen en besluiten begrijpelijk worden uitgevoerd. Een kortere wachtlijst, een duidelijke regeling of een vergunning die op tijd komt, kan meer betekenen dan een hele middag praten over de afstand tussen Den Haag en de samenleving.
Dat maakt de opdracht niet eenvoudig. Grote maatschappelijke problemen verdwijnen niet binnen een paar maanden. Maar het maakt wel duidelijk waar het verschil ligt tussen politieke verwachtingen en bestuurlijke resultaten.
Het kabinet kan nog heel wat vergaderingen besteden aan de vraag waar het vertrouwen is gebleven. De burger hoeft daarvoor niet naar Den Haag te komen.
Die merkt vanzelf wel of er iets verandert.

Geef een reactie