Nederland heeft opnieuw een woningbouwplan. Vijftig maatregelen, zeven miljard euro tot 2035 en de belofte dat het deze keer écht sneller gaat. Ik vermoed dat er op het ministerie inmiddels een aparte map bestaat met eerdere plannen om de woningbouw te versnellen. Misschien zelfs een map met plannen om die eerdere plannen te versnellen. Op 21 september presenteerde het kabinet het Actieplan Versnelling Woningbouw. Het ontwerp- en vergunningstraject duurt volgens de regering nu gemiddeld acht jaar; de bedoeling is om die doorlooptijd in 2030 te kunnen halveren. Acht jaar. In die tijd kan iemand een opleiding afronden, aan een baan beginnen, een relatie krijgen en weer uit elkaar gaan. Alleen die eigen voordeur is er dan mogelijk nog niet.

Voor woningzoekenden is het verschil tussen een vergunning en een sleutel nogal aanzienlijk. Een gemeente kan trots melden dat honderden woningen op papier mogelijk zijn gemaakt, maar probeer maar eens in een bestemmingsplan te slapen. Je kunt de komst van een nieuwe wijk aankondigen, maar met een artist impression kun je geen huurcontract afsluiten. Ondertussen is wonen voor veel jongeren uitgesteld leven geworden. Niet omdat ze allemaal zo graag hun was bij hun ouders afleveren, maar omdat een betaalbaar alternatief moeilijk te vinden is. Ook ouderen die kleiner willen wonen en werknemers die dichter bij hun baan willen wonen, lopen tegen het tekort aan. De gevolgen gaan dus verder dan een oververhitte huizenmarkt. Een gebrek aan passende woningen houdt mensen letterlijk op hun plaats.

Natuurlijk ontstaat die vertraging niet doordat één ambtenaar acht jaar op een tekening zit te turen. Een nieuwe wijk heeft wegen, voorzieningen en elektriciteit nodig. Er zijn vergunningen, financiering en bouwcapaciteit vereist. De regels voor natuur en ruimtelijke ordening moeten worden nageleefd. Omwonenden hebben rechten. En dan is er nog het stroomnet, dat op veel plaatsen zo vol zit dat een nieuwe aansluiting geen vanzelfsprekendheid meer is. Het kabinet benoemt stikstof en netcongestie zelf als belangrijke aandachtspunten. Dat zijn werkelijke obstakels. Maar na zoveel jaren woningnood begint het vreemd te klinken wanneer de ontdekking dat huizen infrastructuur nodig hebben telkens opnieuw als een bestuurlijke doorbraak wordt gepresenteerd.

Het actieplan bevat overigens meer dan alleen mooie woorden. Het kabinet wil ontwerp- en vergunningprocedures digitaliseren, werkzaamheden parallel laten verlopen en gemeenten en provincies ondersteunen met ruim tweehonderd extra voltijdsfuncties. Er komt een landelijke pool met specialistische kennis. Ook krijgt industrieel bouwen een grotere rol: in 2030 zou de helft van de nieuwbouw uit fabrieksmatige productie moeten komen. Zulke maatregelen kunnen relevant zijn, juist omdat vertraging vaak ontstaat in de uitvoering. Maar hun waarde laat zich uiteindelijk niet aflezen aan de presentatie waarmee ze worden aangekondigd. De vraag is hoeveel korter een concreet project werkelijk duurt.

Daarbij is honderdduizend woningen per jaar al langer een Haagse ambitie. Het getal is herkenbaar genoeg geworden om bijna zelfstandig door het politieke landschap te reizen. Ministers komen en gaan, maar de honderdduizend blijft. Het lastige is dat een jaarlijks bouwdoel niet vanzelf verklaart wáár huizen komen, wat ze kosten en voor wie ze bereikbaar zijn. Een woning van een miljoen euro helpt een student met een bescheiden inkomen niet rechtstreeks aan onderdak. Een betaalbaar huis op een plek zonder geschikt werk of vervoer sluit weer niet op iedere woonvraag aan. Aantallen doen ertoe, maar ook de samenstelling van de nieuwbouw en het benutten van bestaande gebouwen.

Misschien wordt juist daarom de uitvoering de interessantste politieke test. Niet het volgende nationale congres over wonen, niet de volgende taskforce en niet de volgende foto van een minister met een bouwhelm die duidelijk niet dagelijks wordt gebruikt. Maar de vergunning die werkelijk sneller wordt afgegeven, de netaansluiting die tijdig beschikbaar komt en het bouwproject dat na jaren eindelijk begint. Voor een kabinet is dat ingewikkeld, omdat resultaten vaak later zichtbaar worden dan politieke beloften. Voor een woningzoekende is het omgekeerde waar: die heeft nu behoefte aan een woning en later weinig aan een verklaring waarom het allemaal zo lang heeft geduurd.

Over vier jaar zou daarom een eenvoudige vraag volstaan. Hoeveel woningen zijn daadwerkelijk opgeleverd, voor wie zijn ze betaalbaar en hoeveel tijd is er onderweg gewonnen?

Tot die tijd blijft Nederland rijk aan plannen. Alleen jammer dat je daarvoor geen hypotheek kunt krijgen.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *