Nederland is buitengewoon goed in tijdelijke oplossingen. We plaatsen een noodgebouw, richten een tijdelijke voorziening in, stellen een interim-manager aan en spreken af dat het allemaal niet langer duurt dan strikt noodzakelijk. Vervolgens raakt iedereen eraan gewend. Het noodgebouw krijgt een nieuw dak, de interim-manager een opvolger en de tijdelijke voorziening wordt in het volgende beleidsplan keurig vermeld als onderdeel van de bestaande capaciteit. Zoiets is vervelend bij een stationsgebouw. Het wordt iets anders wanneer er kinderen in opgroeien. Volgens de Onderzoeksraad voor Veiligheid verblijven ongeveer zevenduizend kinderen in de asielnoodopvang, waar zij structureel worden blootgesteld aan onveilige leefomstandigheden. Sommige kinderen zitten er jarenlang. Ruim zestig procent van alle opvanglocaties bestaat inmiddels uit noodopvang. Als de uitzondering het grootste deel van het systeem vormt, wordt het lastig om nog van een uitzondering te spreken.
De Onderzoeksraad presenteerde zijn bevindingen op 21 september. Het rapport heeft een titel die weinig ruimte laat voor gezellig bestuurlijk overleg: Kinderen in nood. De raad concludeert dat de voortdurende onveiligheid niet simpelweg het gevolg is van een onverwachte crisis. Bestuurlijke keuzes en het gebruik van crisismaatregelen bij structurele problemen hebben eraan bijgedragen. De minister van Asiel en Migratie krijgt de aanbeveling om binnen zes maanden de omstandigheden te verbeteren. Dat is een tamelijk directe boodschap aan een overheid die al jaren spreekt over druk op de opvang. Het is alsof de brandweer na vijf jaar vaststelt dat de nooduitgang nog altijd ontbreekt en het gebouw inmiddels permanent in gebruik is.
Het asieldebat gaat ondertussen meestal over andere zaken. Over instroom, toelating, terugkeer, Europese afspraken en draagvlak in gemeenten. Dat zijn onderwerpen waarover politieke partijen wezenlijk van mening verschillen. Maar terwijl in Den Haag wordt gesproken over de vraag hoeveel mensen Nederland in de toekomst moet opvangen, wonen er kinderen in locaties waarvoor de Onderzoeksraad ernstige veiligheidsrisico’s vaststelt. Die kinderen hebben geen rol gespeeld bij het bedenken van de regels, de verdeling van opvangplekken of de politieke onderhandelingen. Voor hen bestaat het asielstelsel niet uit een debat over bevoegdheden en aantallen, maar uit de plaats waar zij vandaag slapen en morgen wakker worden.
Daar ligt de ongemakkelijke tegenstelling. Een overheid kan een duidelijk standpunt hebben over toekomstige migratie, maar blijft ondertussen verantwoordelijk voor de omstandigheden waaronder mensen worden opgevangen. Die verantwoordelijkheden verdwijnen niet omdat de politiek verdeeld is. De Onderzoeksraad beschrijft hoe sinds 2021 onder meer leegstaande kantoren, schepen, evenementenhallen en containerwoningen zijn gebruikt om snel extra plaatsen te creëren. In een acute noodsituatie is improviseren begrijpelijk. Maar een schip wordt geen duurzame woonomgeving doordat het een paar jaar langer blijft liggen. Een voormalige kantoorruimte verandert niet vanzelf in een geschikte kinderomgeving omdat de huur steeds wordt verlengd.
Opvallend is ook de rol van de mensen die het systeem draaiende houden. Volgens de Onderzoeksraad zetten professionals zich dagelijks met grote betrokkenheid in om kinderen zo goed mogelijk te helpen. Tegelijkertijd kan juist die voortdurende improvisatie ervoor zorgen dat structurele problemen langer blijven bestaan. Medewerkers lopen gaten dicht die eigenlijk niet zouden mogen ontstaan. Dat klinkt bekend uit andere publieke sectoren. De zorgverlener die weer een extra dienst draait, de docent die opnieuw een klas overneemt en de gemeentemedewerker die met beperkte capaciteit toch een oplossing probeert te vinden. Het systeem houdt stand doordat mensen voortdurend compenseren voor wat het systeem zelf niet levert. Dat zegt iets over hun inzet, maar nog niets over de duurzaamheid van de organisatie.
De aanbeveling van de Onderzoeksraad maakt de verantwoordelijkheid concreet. Binnen zes maanden moet verbetering zichtbaar worden. Het antwoord kan dus niet uitsluitend bestaan uit een nieuwe langetermijnvisie op opvang. Er zullen ook vragen moeten worden beantwoord over de kinderen die er nu verblijven. Zijn de locaties veiliger geworden? Worden risico’s sneller gesignaleerd? Is er voldoende begeleiding? En wordt de afhankelijkheid van noodopvang daadwerkelijk kleiner? Dat zijn bestuurlijke vragen die zich niet laten oplossen met een volgende discussie over de politieke kleur van het migratiebeleid.
Misschien is de meest onthullende eigenschap van het woord „noodopvang” wel hoe geruststellend het klinkt. Het suggereert dat er aan een oplossing wordt gewerkt en dat de toestand van voorbijgaande aard is. Maar voor een kind kan een paar jaar een groot deel van zijn jeugd zijn.
Dan is tijdelijk niet langer een beschrijving van het gebouw. Het is een belofte die nog moet worden waargemaakt.

Geef een reactie