Voor verkiezingen is de politiek opvallend duidelijk. Belastingen moeten omlaag. De zorg moet beter. Migratie moet worden beperkt of anders geregeld. Er moeten woningen bij en defensie moet sterker. Iedere partij weet precies waarom haar plannen de beste zijn. De kiezer krijgt verkiezingsprogramma’s en debatten voorgeschoteld waarin politici vertellen wat er allemaal verkeerd gaat. Vervolgens mag die kiezer één vakje rood maken in de veronderstelling dat hij daarmee invloed heeft op de richting van het land. Maar na de verkiezingen verandert de taal. Dan blijkt ineens dat Nederland een coalitieland is. Dat er compromissen nodig zijn en niemand alles kan krijgen. Water bij de wijn hoort nu eenmaal bij de politiek. Dat is logisch. Het probleem is alleen dat we daar vóór de verkiezingen veel minder over horen.
Nederland heeft veel politieke partijen en daardoor is het bijna onmogelijk dat één of twee partijen samen een meerderheid vormen. Voor een kabinet zijn meerdere partijen nodig en ook voor plannen moet steun worden gezocht bij verschillende fracties. Dat betekent automatisch onderhandelen. De ene partij wil iets wat de andere niet wil en dus wordt er geschoven tot iedereen genoeg heeft om akkoord te gaan. Zo werkt een parlementaire democratie. Toch ontstaat er een probleem wanneer een partij tijdens de verkiezingen heel stellig iets belooft en enkele maanden later het tegenovergestelde verdedigt omdat dit nodig was om een coalitie te vormen. Dan wordt tegen de kiezer gezegd dat regeren verantwoordelijkheid nemen betekent. Dat kan waar zijn maar verantwoordelijkheid nemen betekent ook uitleggen waarom een eerdere belofte minder belangrijk werd dan deelname aan een kabinet.
Een verkiezingsprogramma is daardoor iets merkwaardigs geworden. Het wordt gepresenteerd als een plan voor de komende jaren maar in werkelijkheid is het vooral een openingsbod voor onderhandelingen die na de verkiezingen beginnen. De kiezer weet bij het stemmen niet welke punten overeind blijven en welke van tafel verdwijnen. Hij weet vaak niet eens met welke partijen zijn partij uiteindelijk wil samenwerken. Toch spreken politici tijdens campagnes in stellige taal. Dit gaan wij doen. Dit zullen wij tegenhouden. Met ons gebeurt dit niet. Totdat de stemmen zijn geteld en er ineens een nieuwe politieke werkelijkheid is ontstaan. Natuurlijk kan een partij niet alles uitvoeren. Niemand kan verwachten dat een partij met twintig zetels bepaalt wat er met honderdvijftig zetels gebeurt. Maar er zit een groot verschil tussen niet alles binnenhalen en een punt opgeven waarvan je de kiezer eerst hebt verteld dat het essentieel was.
Daarom zouden partijen vóór de verkiezingen duidelijker moeten zijn over wat hun beloften werkelijk betekenen. Welke punten zijn echt een breekpunt. Welke plannen hebben prioriteit en waarover kan worden onderhandeld. Een partij kan zeggen dat zij tien belangrijke plannen heeft maar dat drie daarvan zo zwaar wegen dat regeringsdeelname zonder die punten niet voor de hand ligt. Dan weet de kiezer waar hij aan toe is. Nu gebeurt vaak het tegenovergestelde. Tijdens de campagne lijkt bijna ieder belangrijk onderwerp een breekpunt en tijdens de formatie blijken veel breekpunten buigzaam. Daarmee ontstaat vanzelf wantrouwen. Niet omdat burgers geen compromis begrijpen maar omdat ze niet kunnen zien welk deel van hun stem na de verkiezingen nog overeind staat.
Dat probleem wordt groter naarmate meer partijen nodig zijn om een meerderheid te vormen. Iedere partij heeft haar eigen achterban en moet na onderhandelingen kunnen uitleggen dat deelname iets heeft opgeleverd. Partij A krijgt iets op wonen. Partij B krijgt iets op migratie. Partij C krijgt geld voor een ander onderwerp en partij D voorkomt een maatregel. Daarna stappen de partijleiders voor de camera en vertellen ze allemaal dat hun invloed zichtbaar is. Ondertussen heeft iedere partij ook punten ingeleverd. Zo ontstaat een politiek systeem waarin iedereen verantwoordelijk is en daardoor soms niemand echt verantwoordelijk lijkt. Gaat iets goed dan claimt iedere partij het succes. Gaat iets mis dan was het een compromis of lag het aan een coalitiepartner. Voor de kiezer wordt het steeds moeilijker om na vier jaar vast te stellen wat zijn stem werkelijk heeft opgeleverd.
Juist daar hoort meer openheid te komen. Een regeringspartij zou aan het einde van een kabinetsperiode simpel moeten laten zien wat zij beloofde en wat daarvan terecht is gekomen. Niet in honderd pagina’s politieke taal en ook niet in een campagnefilmpje waarin alleen successen worden genoemd. Gewoon een helder overzicht. Dit beloofden wij. Dit hebben wij uitgevoerd. Dit hebben wij gedeeltelijk uitgevoerd. Dit hebben wij niet bereikt. Dit hebben wij bewust opgegeven en hiervoor hebben wij dat gedaan. Een partij hoeft zich niet te schamen voor een compromis. Politiek zonder compromis bestaat bijna niet in Nederland. Maar wie iets opgeeft moet bereid zijn daar verantwoordelijkheid voor te nemen. Niet zeggen dat het nu eenmaal moest en niet alles afschuiven op andere partijen. Gewoon uitleggen welke keuze is gemaakt.
Soms is het zelfs verstandig om een verkiezingsbelofte niet uit te voeren. De wereld kan veranderen. Er kan een economische crisis ontstaan of oorlog uitbreken. De financiële situatie kan anders blijken dan verwacht of een plan kan slecht uitvoerbaar zijn. Een politicus die ondanks nieuwe informatie koste wat het kost vasthoudt aan een oude belofte is niet automatisch betrouwbaarder. Besturen betekent ook dat je van inzicht moet kunnen veranderen. Maar juist dan moet de uitleg beter zijn. Zeg wat er veranderd is. Leg uit waarom de oorspronkelijke keuze niet meer verstandig is en vertel wat ervoor in de plaats komt. Vertrouwen verdwijnt niet automatisch doordat een bestuurder van mening verandert. Vertrouwen verdwijnt vooral wanneer de kiezer eerst absolute zekerheid krijgt en achteraf hoort dat hij die woorden blijkbaar minder letterlijk had moeten nemen.
Misschien moeten we daarom anders naar verkiezingsbeloften kijken. Een stem op een partij is niet alleen een stem op wat die partij wil. Het is ook een stem op wat die partij straks bereid is op te geven om iets anders voor elkaar te krijgen. Dat tweede deel blijft tijdens campagnes meestal buiten beeld terwijl het minstens zo belangrijk is. Een partij die twintig prachtige plannen heeft maar bij de eerste onderhandeling haar belangrijkste punten laat vallen is iets anders dan een partij die minder belooft maar duidelijk aangeeft waar haar grenzen liggen. Als politieke partijen willen dat burgers meer vertrouwen krijgen dan begint dat niet met mooiere verkiezingsprogramma’s of hardere woorden in een debat. Het begint met eerlijkheid over de werkelijkheid van het bestuur.
Water bij de wijn hoort bij de Nederlandse politiek. Dat verandert niet zolang geen enkele partij alleen een meerderheid heeft en samenwerking noodzakelijk blijft. Maar wanneer er zoveel water wordt toegevoegd dat de kiezer zijn eigen keuze nauwelijks meer herkent ontstaat een probleem. Dan moeten we niet verbaasd zijn wanneer mensen zeggen dat partijen toch niet doen wat ze beloven. Politici hoeven niet te beloven dat ze nooit zullen toegeven. Ze moeten vooraf duidelijker vertellen waarop ze bereid zijn toe te geven en achteraf verantwoorden waarom. Want een compromis kan noodzakelijk zijn. Onduidelijkheid daarover is een keuze.
Uiteindelijk is dat misschien de eenvoudigste vraag die een kiezer aan een partij mag stellen. Niet alleen wat belooft u mij vóór de verkiezingen maar vooral welke van die beloften zijn na de verkiezingen nog steeds iets waard?
Ties van Fenne

Geef een reactie