Er zijn weinig zinnen in de Nederlandse politiek die zo vaak worden uitgesproken als „werken moet lonen”. Iedere partij kan ermee uit de voeten. De werkgevers vinden het prettig, werknemers knikken instemmend en zelfs de ambtenaar die de belastingtarieven moet berekenen zal er vermoedelijk weinig bezwaar tegen hebben. Het is een slogan zonder natuurlijke vijanden. Totdat de Miljoenennota verschijnt. Dan blijkt dat de overheid toch ergens haar geld vandaan moet halen en dat werkenden in die zoektocht een tamelijk aantrekkelijke groep vormen. Volgens de Raad van State leiden de beleidsmaatregelen in 2027 per saldo tot ongeveer 6 miljard euro aan lastenverzwaring. Daarvan wordt 5,8 miljard toegerekend aan arbeid. Dat is 97 procent van de totale stijging. Je zou bijna denken dat „werken moet lonen” vooral betekent dat de schatkist er iets aan moet overhouden.

Nu vraagt zo’n cijfer om enige voorzichtigheid. Die 5,8 miljard wordt niet simpelweg volgend jaar van alle loonstroken afgehaald. De berekening omvat verschillende belastingen en premies, waaronder lasten die formeel door werkgevers worden betaald en economisch kunnen doorwerken naar werknemers. Niet iedereen merkt hetzelfde effect. De Raad van State waarschuwt bovendien zelf dat de cijfers zorgvuldig moeten worden geïnterpreteerd. Maar die nuance verandert niets aan de vraag die boven de begroting hangt: hoe financier je een overheid die steeds meer moet doen, zonder dat de rekening voortdurend bij dezelfde economische activiteit belandt?

Nederland wil ondertussen begrijpelijkerwijs nogal wat. Er moet meer geld naar defensie, de zorg moet toegankelijk blijven, het onderwijs heeft mensen nodig en de infrastructuur is op verschillende plaatsen aan vervanging toe. Er moeten woningen komen, het elektriciteitsnet moet worden uitgebreid en ook het klimaat- en natuurbeleid vraagt investeringen. Daarbij vergrijst de bevolking. De overheid heeft dus niet zozeer een verlanglijstje als wel een verlanglijstjesfabriek. Het is verleidelijk om al die ambities afzonderlijk te bespreken. Dan klinkt iedere uitgave immers verdedigbaar. Pas wanneer de begroting wordt opgeteld, blijkt dat ze allemaal uit dezelfde portemonnee moeten worden betaald.

Politici beschikken voor die situatie over een handig woord: groei. Als de economie maar genoeg groeit, wordt de koek groter en lijken pijnlijke keuzes minder noodzakelijk. Helaas gedraagt economische groei zich niet als een ministeriële dienst die op verzoek een paar procent extra kan produceren. Ze vraagt investeringen, arbeidskrachten, productiviteit, energie en tijd. Een ondernemer heeft weinig aan de aankondiging van een gunstiger vestigingsklimaat wanneer zijn uitbreiding wacht op een stroomaansluiting. Een werkgever die personeel zoekt, kan zijn vacatures niet invullen met een passage uit de Miljoenennota. En iemand die overweegt een dag extra te werken, kijkt uiteindelijk naar wat dat werkelijk oplevert, niet naar de politieke bedoeling achter de fiscale regeling.

Daar zit ook de moeilijkheid van de slogan. „Werken moet lonen” is geen begrotingsplan. Het vertelt ons niet welke belastingen dan wél omhooggaan, welke uitgaven achterwege blijven of hoeveel schuld acceptabel wordt gevonden. Moet de overheid meer bij consumptie ophalen? Bij vermogen? Bij ondernemingen? Of moet zij minder uitgeven? Al die mogelijkheden hebben gevolgen die politici uiteenlopend wegen. De Raad van State vraagt in zijn advies dan ook aandacht voor een evenwichtiger lastenverdeling en voor de rekening die naar toekomstige generaties kan verschuiven. Het parlement zal de begroting en de belastingvoorstellen nog behandelen; de gepresenteerde cijfers zijn dus niet automatisch het definitieve resultaat.

Het probleem met deze discussie is dat er weinig feestelijks aan valt te ontdekken. Je kunt moeilijk campagne voeren met de mededeling dat er een lastige verdelingsvraag aankomt. Een plan om minder uit te geven levert direct kritiek op. Een belastingverhoging ook. En de toekomstige generatie die mogelijk een deel van de rekening betaalt, zit nog niet aan de onderhandelingstafel. Sommige toekomstige belastingbetalers liggen zelfs nog in een kinderwagen. Zij kunnen hooguit protesteren door hun pap tegen de muur te gooien, wat bij de minister van Financiën waarschijnlijk weinig indruk maakt.

Daarom keert die vertrouwde slogan steeds terug. Hij klinkt krachtig, vraagt geen ingewikkelde uitleg en past op vrijwel ieder verkiezingsaffiche. Maar tussen een uitspraak over arbeid en een sluitende begroting liggen miljarden euro’s aan keuzes.

Werken moet lonen. Nu alleen nog even vaststellen voor wie de rekening is.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *